De laatste maanden leef ik in contrasten.
Ik kijk maar mondjesmaat het journaal en laat me raken door de beelden van een plotselinge oorlog. De president die zienderogen aftakelt terwijl hij alles aangrijpt om hulp te vragen. De tranen van de burgers die verbijsterd vertellen wat ze meemaken. Een dode hand met nagellak. Een teddybeer doordrenkt met bloed. Een oude vrouw in een rolstoel, omwikkeld met dekens, terwijl ze gelaten wacht op een plekje in de trein, weg van de hel waar ze zich in begeeft. Verwoesting waar eerder thuishavens waren.
En dan de beelden van doktoren die ondanks tekorten en vallende bommen proberen om patiënten te redden. Een stel dat vrijwillig met een camperbusje het oorlogsgebied intrekt om hulpgoederen te leveren. Een oma in Polen die haar minihuisje beschikbaar stelt voor vluchtelingen. Onverwachte helden staan op.
Dit nieuws is te groot voor mijn hart.
En dan corona. Van mondkapjes voor de klas, online vergaderen, handen ontsmetten, lock-down, zieke collega’s, grafieken van ziekenhuisopnames, afstand houden, talloze zelftests en bezoeken aan de GGD, persconferenties met maatregelen, naar opeens doen alsof het er niet meer is. We mogen weer bij elkaar, naast elkaar, met elkaar. De opluchting is voelbaar. Het nieuws alleen nog maar een korte mededeling.
Het contrast van mijn nieuwe huis. Van de drukke snelwegen die continue een zoemend geluid geven, de nachtelijke schreeuwpartijen in de stad Utrecht, de jachtige winkelstraten, de straatraces. Het elkaar niet begroeten op straat. De lange rijen voor de kassa bij de supermarkt. De krapte in onze woning toen we allen thuis moesten werken. De buurvrouw die om de haverklap aan de deur stond om te roddelen over de overburen. De fietsen en deuren op slot. Het kleine losloopgebied voor de hond en de voorzichtige gesprekken die je voerde met mede-eigenaren. Het terugkomen van een feestje en de straat zien afgezet omdat er iemand om de hoek is neergeschoten tijdens een ruzie.
Naar het wonen middenin een natuurgebied, waar je eerst met de auto over een wildrooster moet rijden. Waar we wilde zwijnen zien in de schemering. Waar de eekhoorns pret hebben in de vele bomen. Waar er geen rijen zijn voor de kassa. Waar het stil wordt om acht uur ’s avonds. Waar we een tuin met 7 bomen hebben. Waar we omkomen van de ruimte, wat lucht geeft. Waar er geen stoplichten of geïrriteerde bestuurders zijn. Waar iedereen die je tegenkomt je vriendelijk begroet. Waar de achterdeur niet op slot hoeft en de postbode komt koffie drinken.
Het contrast op het werk van doen wat mogelijk is gezien de omstandigheden. Het geruststellen van de leerlingen. Het vertragen van het tempo, het alleen richten op de basis. Het verminderen van toetsen. Het schrappen van activiteiten. Het online uitnodigen van leerlingen in quarantaine. Naar het proberen om de losgelaten draad weer op te pakken. Weer activiteiten te plannen. Trachten het tempo weer te versnellen. De verwachtingen weer omhoog te schroeven in een ritme wat de leerlingen zouden moeten aankunnen.
Ik werd lam geslagen door de contrasten waarin ik me begaf. Ik besloot een maand even niets te moeten in de hoop weer inspiratie op te doen over welke kant ik op zou gaan. Welke richtingen me aanspraken. Om even tot mezelf te komen. Het hielp me niet voldoende om het onbestemde gevoel los te schudden. Dus begon ik weer met mijn kleine projecten, liet ik me even niet leiden door dat wat zou moeten, maar door dat wat goed voelt. Mocht het er helemaal zijn, het onbestemde gevoel. Een drukkende somberheid over alle chaos in de wereld en de weinige invloed die ik daar op heb. En voorzichtig aan maak ik weer stappen op een ontdekkingsreis en ben ik geïnspireerd om nieuwe plekken te ontdekken. Ik pak de regie over mijn kleine binnenwereld weer op.
Ik zie en merk het om me heen ook. Een zwaarte wordt ferm en fel afgeworpen nu de lente begint. De volwassenen om me heen lijken opgeluchter adem te halen . Alles moet maar weer gewoon zijn. We stappen naar buiten en vergeten daarbij dat we twee jaar prikkelarm hebben geleefd. We pakken alle draden weer op met dezelfde spanning als voor de corona. Maar onze jongeren hebben meer tijd nodig dan dat.
Als ik aan mijn leerlingen denk, maak ik me er zorgen over dat we als docent, ouders, school, maatschappij verwachten dat zij net zo makkelijk deze draad weer oppakken. Ik denk dat we hierin onderschatten wat het voor de jongeren heeft betekend om te leven in een pandemie. Dat we onderschatten wat angst en eenzaamheid doet met de ontwikkeling van zelfvertrouwen. Dat we onderschatten wat het heeft betekend om niet naar buiten te kunnen, de wereld in met je vriendengroep. Dat het niet goed mogelijk was om jezelf te ontdekken wanneer je steeds in huis moest blijven.
Laten we ze ook wat tijd gunnen om weer te wennen aan de vernieuwde omstandigheden in een roerige wereld. Geef lucht en ruimte. Laat zien dat de contrasten niet zwart-wit zijn maar doordrenkt met alle kleuren en vol van mogelijkheden. Laten we ze voelen dat ze er toe doen, dat het oké is om even niet te weten wat je moet doen. En laten we alsjeblieft niet stappen in oude valkuilen van prestatiedwang en drang.
De wereld is moeilijk te veroveren wanneer de grond onder je voeten wiebelt.