Ieder systeem is op zoek naar balans. Denk aan de wind; hoge en lage druk wisselen elkaar af. Denk aan de seizoenen die elkaar in cyclus opvolgen; warmte en koude, groei en afbraak. Denk aan je familie die door middel van soms vastgeroeste patronen om elkaar heen kunnen dansen zonder de grenzen echt te schaden en zo met elkaar verbonden blijven. Denk aan een maatschappij middenin een pandemie, waarin mensen afstand tot elkaar moeten houden terwijl ze juist nabijheid zoeken voor troost. En denk aan een klas.
Ieder jaar ben ik weer benieuwd wat voor soort klassen ik onder mijn hoede ga krijgen. Het is mooi om te zien op welke wijze leerlingen opeens ander gedrag kunnen laten zien in een andere groepssamenstelling en zichzelf en elkaar kunnen verrassen. De stille leerling wordt gekozen tot gespreksleider in de klas, de clown van de klas oreert diepgaande filosofie en de raddraaier durft zich kwetsbaar op te stellen.
Vanaf het moment dat er een nieuw persoon in de klas bijkomt is het evenwicht even verstoord. In het voortgezet onderwijs wisselen de docenten. Dit betekent dat bij binnenkomst eigenlijk meteen de balans al even is verstoord. De docent heeft niet mee beleefd wat de klas in de vorige uren heeft meegemaakt. De docent heeft een missie; het geven van een voorbereide les. Wanneer deze missie niet aansluit bij de behoeften van de klas, komt er frictie. De docent wil iets wat de leerlingen niet kunnen geven.
Ik maakte het deze week mee in een klas. De (vond ik zelf) ontzettend leuke opdracht die ik had bedacht werd maar lauw ontvangen. Het werd een kwestie van hangen en wurgen en zowel de leerlingen als ik werden steeds chagrijniger. Maar ik liet een cruciale steek vallen. Ik sloot niet aan bij de leerlingen. Ik sloot niet aan bij wat deze klas, in deze specifieke situatie, op dit specifieke uur, op deze dag, van mij nodig had… Ik sloot niet aan qua sfeer.
Een klas is namelijk echt wel bereid om te volgen, mits jij laat merken dat je kan leiden. Dat je meewerkt aan het vinden van een evenwicht. Dat je ze snapt. Bijvoorbeeld dat het vermoeiend is, of moeilijk, of saai, of te ingewikkeld. En dat je ze helpt om het toch voor elkaar te krijgen. Dat jij en de klas samen het doel kunnen behalen en dat je hierin wat van elkaar nodig hebt.
Wanneer je met een klas echt kan samenwerken, ontstaat er een magisch veld waarin prachtige momenten kunnen ontstaan. Toen ik deze week even aansloot bij een vrije activiteit en met een paar leerlingen “wie ben ik” deed, met maffe post-it’s op ons hoofd geplakt, sloten er steeds meer leerlingen aan. Ook de stille leerlingen. Ook de stoere leerlingen. Ook de leerlingen die nooit ergens aan mee willen doen, want weet je, ‘voor schut’ enzo. We zaten in een kring, sommigen op de grond. Leerlingen hielpen elkaar om te raden met cryptische goedbedoelde hints. We rolden over de grond van het lachen. Dit soort momenten van plezier en verbondenheid leggen een cruciale basis voor de groep en voor het leerproces. Het wordt makkelijker om uit je eigen comfortzone te stappen wanneer je samen plezier hebt gehad. En juist net buiten de comfortzone kun je leren, experimenteren en ervaren.
Met de klas waar het minder mee ging zal ik harder moeten werken om ons evenwicht weer te herstellen. Om de leerlingen te laten ervaren dat ik kan aansluiten en meewerk aan het vinden van de juiste balans. Die verantwoordelijkheid ligt bij mij. Het is geen lastige klas, ik was een lastige docent.