Als puber was ik nogal uitgesproken in mijn kledingkeuze. Ik had een levendige fantasie over hoe ik er uit zou zien bij bepaalde ingebeelde kleding. Helaas was de kleding die ik verlangde werkelijk waar nergens te vinden. Achter in de kast stond een oude naaimachine. Ik sleepte hem van z’n stofwolk vandaan, vond een oude lap en zette me aan de taak mijn fantasie tot werkelijkheid te maken. Alsof ik een wild paard temde deed ik de hele dag mijn best de oude machine te bedwingen. Aan het eind van de dag, het was al donker, was het me eindelijk gelukt. Ik had een shirt gemaakt. Enthousiast trok ik het aan. Bekeek mezelf kritisch in de spiegel en raakte danig in de problemen toen ik mijn eerste fabrikaat weer uit wilde trekken. Ik had nooit rekening gehouden met de rekbaarheid van de stof. Het was zo’n stugge stof en zo’n krap shirt dat ik het met geen mogelijkheid weer uit kon trekken. Mijn vader heeft me onder onbedaarlijk lachen eruit moeten knippen.
Kleding maken is echt moeilijk, en toch lukt het me tegenwoordig om enigszins recht te naaien, zonder ooit les te hebben gehad. Voor de camper heb ik toch mooie gordijnen weten te maken en het gaat me steeds beter af om iets te maken wat ik in gedachten heb. Het werkelijk kleding maken blijft een wens waar ik nog onvoldoende tijd en geduld voor heb gemaakt, maar staat nog op m’n lijstje.
Toen ik voor het eerst ging snowboarden, vroeg ik me verontrust af hoe ik me in godsnaam omhoog zou kunnen wurmen, terwijl mijn voeten vastgeklonken zaten aan een sjoelbak. Met geen mogelijkheid kwam ik ‘gewoon’ overeind. Ik moest een oncharmante koprol maken zodat ik op m’n knieën kon zitten en me zo overeind kon duwen. Wat nogal een opgave was nadat ik onder de butsen en builen zat van het vele vallen. Het maakte me kwaad dat het me niet lukte. Op de derde dag kreeg ik een grote “fuck it” middenin m’n frustratie en ging ik er voor. Dan maar vallen. En juist deze houding zorgde er voor dat ik soepel van de berg af gleed wat zorgde voor een enorme euforie.
Toen ik net uit m’n burn-out kwam wilde ik een boek schrijven. Ik begon eerst echt op papier te schrijven. Maakte de tekeningen tussen de teksten. Schreef notitieblokken vol met mindmaps en ideeën. Maakte planningen. Maakte fouten. Begon opnieuw. Maakte weer fouten. Begon weer opnieuw. Was gepreoccupeerd met gedachten over het boek. Was in mezelf gekeerd. Had hoop. Had wanhoop. Probeerde te forceren. Liet dat weer los. Liet m’n planning los. Maakte een nieuwe planning. Maakte nieuwe tekeningen. Probeerde de tekeningen in te scannen. Kreeg ruzie met de printer. Gaf het bijna op. Ging toch weer door. En opeens was daar een manuscript wat ik zou delen met de wereld. Was ontzettend kwetsbaar toen ik het aan de eerste vrienden liet lezen, was dubbel kwetsbaar toen ik het opstuurde naar de uitgevers. Toen ik moest wachten. En wachten. En wachten. Totdat ik opeens gebeld werd door Boekscout dat ze met me in zee wilden gaan. En er een nieuwe fase aanbrak, van schrijven en herschrijven en overleggen en nakijken, alle foutjes eruit. Alle afbeeldingen opnieuw. Keuzes maken. Keuzes maken. Keuzes maken. Een omslag ontwerpen. Lettertypes, beschrijvingen, vragen beantwoorden. En opeens ligt er afgelopen dinsdag een boek op de mat. Met mijn naam. En een isbn-nummer. En is het echt. En voel ik me euforisch.
Leren gaat gepaard met vallen. Een beetje angst. Een beetje wanhoop. Een paar butsen en builen. Het zoeken naar een weg die misschien niet altijd even helder is. Het verzamelen van moed. Het vertrouwen in een goede uitkomst. Een fantasie over een te bereiken doel en hoe het daar zou kunnen zijn.
Ik lees het boek ‘ongetemd leven’ van Glennon Doyle en ze beschrijft in een hoofdstuk haar beproevingen en haar mantra: ”We kunnen moeilijke dingen doen.” En dat is zo waar. Wij kunnen moeilijke dingen doen. We mogen hoge verwachtingen hebben. We mogen grote dromen hebben. En we kunnen moeilijke dingen doen.