nr 44 Dwalen

Op het moment dat ze er schoon genoeg van had, was het al te laat. Ze zat middenin het veld en had al in geen uren een horizon gezien. Ze hoorde alleen het zoemen van de bijen, een ver vliegtuig, wat gekwetter van vogels en de geluiden die ze zelf maakte door de zonnebloemen aan de kant te duwen. Het klonk een beetje plastic-achtig wanneer de zonnebloemen aan de kant geschoven werden. Ze bleef stug doorlopen want dit veld zou toch ergens een grens moeten hebben? Door de stand van de bloemen te observeren, hoopte ze een vaste richting aan te houden. Ze had ergens gelezen dat je zo ook door het bos de weg kon vinden, door het mos op de stammen in de gaten te houden.

Ze had dorst, haar voeten deden pijn, ze wilde naar huis. Ze had schrammen op haar scheen die venijnig beten. Stug zette ze door, stap voor stap, zichzelf vervloekend. Waar was ze in godsnaam? Wat deed ze hier? Waarom moest dit haar overkomen? Vermoeid zette ze stap voor stap terwijl de schemering schaduwen vervaagde. Ze hoopte in het duisternis een lichtschijnsel te zien, van een dorp of een boerderij. Maar al wat ze zag waren de sterren en een halve maan. Ze had het koud en wikkelde zich bij gebrek aan beter in grote zonnebloembladeren. De nacht was lang en eenzaam.

In de ochtendschemering liep ze haar stramheid eruit. Wederom navigeerde ze aan de hand van de stand van de bloemen. Ze was bloedlink, ze haatte die stomme bloemen, zichzelf, de bijen, de zon, het stof. Ze voelde de haat als een zware steen net onder haar ribben, tranen persten zich naar buiten van frustratie en machteloosheid. Ze schold grondig op een steen waar ze zich aan stootte. Het bloedde. De nagel was half afgescheurd. Ze zat op de grond de ravage te bestuderen toen eerst de wind als een voorbode opstak en daarna de eerste spetters vielen. Ze raakte snel doorweekt maar kon zich eindelijk laven. De regenspetters sprongen kapot op haar droge lippen en ze voelde het stof haar gezicht afglijden. Het bloed van haar teen spoelde weg en bloeide weer op. Gefascineerd keek ze er even naar, voordat ze er een drijfnatte vieze sok overheen schoof en weer begon te lopen. Zo plotseling als de bui begonnen was, hield deze ook weer op. De middagzon droogde en verwarmde haar. De middag vergleed in de avond, in de nacht.

Op dag drie na een korte nacht geworstel in de modderige grond, begon het marchanderen. Als ik nù uit dit vervloekte veld kom, dan zal ik de rest van mijn leven vrijwilligerswerk gaan doen, een praatje maken met de daklozen bij het station, een deel van mijn salaris weggeven aan mensen die het harder nodig hebben. Ik zal voor de buurman koken. Ik zal nooit meer ruzie maken. Ik zal koesteren wat ik heb. Ik zal mijn naasten nog meer liefhebben. Ik zal eindelijk gaan reizen. Ik zal een beter mens worden, beloofd! Maar laat me alsjeblieft- alsjeblieft- alsjeblieft hieruit komen. Ze onderhandelde de hele dag door en at bij gebrek aan beter wat kleine plantjes die ze tussen de zonnebloemen zag staan. In de avond viel ze uitgeput in slaap.

Op dag vier werd ze gewekt door een zanglijster. Een lieveheersbeestje landde op haar arm. Ze sprak tegen het kleine diertje en vertelde wat er was gebeurd. Dat ze was verdwaald en de weg terug niet kon vinden. Waar ze vandaan kwam en wat ze deed en wat ze liever deed maar niet deed. Wie ze lief had en wat ze haatte. Hoe ze woonde. Waar ze van droomde en naar verlangde. Waar ze op wachtte, wat ze hoopte. Wat ze het liefste zou willen doen en waarom ze daar bang voor was. Ze keuvelde met het rode beestje dat geduldig op haar arm bleef zitten, tot de schemering viel en het opeens weg vloog. Ze voelde zich een beetje verlaten alsof een goede vriend zonder iets te zeggen de deur uit ging. Zo goed en zo kwaad als het ging maakte ze een bed van de zonnebloemstelen en bladeren, de bloemen zelf als kussen. 

Ze werd wakker van het zonlicht dat door de bladeren filterde en was verrast het lieveheersbeestje op haar andere arm te zien. Voorzichtig stond ze op en begon weer te lopen. Ze was stil en nam de omgeving nu eens goed in zich op. Overal waar ze keek, zag ze opeens wat moois; de zachte haren op de zonnebloemstelen, de verschillende kleuren blauw van de lucht, een vliegende ooievaar die in cirkels over het veld vloog, een veldmuisje dat weg schoot, kleine verstopte bloemen. Ze voelde zich wat lichter en liep met vaste tred toen ze opeens verderop de stengels zag bewegen en gehijg hoorde. Hoewel ze eerst schrok, begon ze daarna te roepen. “Kom maar jochie, hierrrrr, kom dan.” En opeens stond daar een grote grijze hond. Kwispelend kwam hij haar besnuffelen. Ze pakte de halsband vast en liet zich door hem leiden. Niet veel later hoorde ze het roepen van de baas. Ze huilde van opluchting toen de stengels opeens opzij schoven en een man op de weg haar verbaasd aankeek. “ Zo, jij bent mooi verdwaald “ zei hij. “Nee”, zei ze. “ Ik ben dwalend vermooid “

guest
0 Reacties
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Scroll naar boven